Rapport / Samenvatting
/ Persbericht /
Summary /
Press Release
Nederland en de
chemische wapens van Irak
Irak zet in de
jaren '80 van de vorige eeuw veelvuldig chemische wapens
in, zowel in de oorlog met Iran als tegen de eigen Koerdische
bevolking. De
grondstoffen voor deze wapens koopt het regime van Saddam Hoessein
vooral van
bedrijven in westerse landen. Ook Nederlandse bedrijven, met name
Melchemie en
KBS, zijn belangrijke leveranciers van dergelijke stoffen. Daarnaast
speelt de
inmiddels veroordeelde zakenman Frans van Anraat een grote rol in de
opbouw van
het chemische wapenarsenaal van Irak.
Pas in 1984 onderwerpt de Nederlandse regering de
uitvoer van een aantal
chemische stoffen aan een vergunningplicht. Aan deze vergunningplicht
gaat een
verbeten strijd tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en van
Economische
Zaken vooraf, waardoor uiteindelijk veel minder stoffen op de ‘zwarte
lijst’
terecht komen dan aanvankelijk door Buitenlandse Zaken voorgesteld was.
De
uitvoer van een aantal stoffen, die wel degelijk gebruikt kunnen worden
voor de
productie van chemische wapens, kan dan ook doorgaan. Staatssecretaris
Frits
Bolkestein van Economische Zaken, die in 1983 Irak bezoekt, is fel
tegenstander
van een omvattender uitvoerregeling.
Gebruik van chemische wapens door Irak
In september 1980 begint de langdurige oorlog
tussen Irak en Iran. Volgens Iran gebruikt Irak in november 1980 voor
het eerst
chemische strijdmiddelen.
Vanaf juli 1982 worden de berichten over het
gebruik van chemische wapens door Irak frequenter. Later in het
conflict richt
de inzet zich steeds vaker tegen burgers in zowel Iraans als Iraaks
Koerdistan.
Met name de aanval op Halabja, in maart 1988, roept veel internationale
verontwaardiging op. In de week van deze aanval is een Iraakse
handelsminister
op bezoek in Nederland; van de kant van de Nederlandse regering wordt
met geen
woord gerept over de inzet van chemische wapens.
Na de Tweede Golfoorlog (1990-1991), wordt Irak onder
internationale
controle geplaatst en gedwongen zijn massavernietigingswapens te
vernietigen.
Hoewel de controles moeizaam verlopen, lijkt het erop dat Irak
inderdaad z'n
chemische wapenvoorraden midden jaren '90 heeft vernietigd.
Beleid
Het Nederlandse beleid in de jaren '80 ten
aanzien van Irak geeft een ontluisterend beeld. Ondanks de oorlog wordt
er
alles aan gedaan zo goed mogelijke economische betrekkingen met het
regime van
Saddam Hoessein te onderhouden. Onder het motto van strikte
neutraliteit wordt
daarbij maar liever een oogje dichtgeknepen voor de gruwelijkheden die
door
Irak, en overigens ook door Iran, in het conflict worden begaan.
Nederlandse
economische belangen prevaleren bij de beleidsbepaling.
Op het vlak van leveranties van grondstoffen
voor chemische wapens, reageert Nederland pas nadat het door de
Amerikanen op
grote Nederlandse orders aan Irak wordt gewezen. Tot april 1984 zijn
zonder
problemen grote hoeveelheden van zulke stoffen naar Irak uitgevoerd,
terwijl al
bekend is dat het land chemische wapens produceert en inzet. Als de
regering
door Amerikaanse collega’s op Nederlandse toeleveranciers wordt gewezen
doet
het Ministerie van Economische Zaken er vervolgens alles aan om de
lijst van
stoffen waarvoor een exportvergunngingsplicht gaat gelden zo beperkt
mogelijk
te houden. Daardoor vallen enkele door het Ministerie van Buitenlandse
Zaken
voorgestelde gifgasgrondstoffen alsnog af. Ook na april 1984 blijft het
daarom
mogelijk stoffen die geschikt zijn voor het produceren van chemische
wapens,
naar Irak te verschepen.
Bolkestein in Irak
In oktober 1983, bezoekt Bolkestein, die zich
in het buitenland Minister van Buitenlandse Handel mag noemen, de
Bagdad
International Fair. Verder heeft hij ontmoetingen met de Iraakse
vice-premier
Ramadhan en met enkele andere ministers. Op dat moment is de regering
al bekend
met verhalen over gifgasgebruik door Irak. Bolkestein tekent tijdens
dit bezoek
een overeenkomst tussen Nederland en Irak die als doel heeft
mogelijkheden voor
economische en technische samenwerking te vergroten.
Uit het ambtelijk verslag van Bolkestein’s
bezoek aan Bagdad blijkt dat hij vraagt “om pleitbezorging voor
concrete
Nederlandse belangen te vatten in een setting van sympathie voor het
door drie
jaar oorlog beproefde Iraakse volk. Van Iraakse zijde werd hierop
positief
gereageerd. Vermeld werd dat Irak nu zijn vrienden telde en dat hieruit
na
beëindiging van de oorlog voor de aldus geïdentificeerde landen
consequenties
zouden voortvloeien”.
Begin jaren ’90 past Bolkestein zijn indrukken
over het Iraakse regime weliswaar aan, maar in het kader van de
Nederlandse
handelsbelangen had hij eerder weinig moeite dit nu door hem als
'luguber'
betitelde gezelschap de hand te schudden en er een overeenkomst mee te
sluiten.
Bedrijven
Met name in de eerste jaren van de opbouw van
het chemische wapenprogramma van Irak, kwamen vrijwel alle grondstoffen
en
apparatuur voor dit programma uit het buitenland, vooral uit het
westen. Het
geheime 'Full Final and Complete Disclosure' (FFCD) rapport van de
Verenigde
Naties is de verantwoording die Irak in 1992, met latere aanvullingen,
aan
UNSCOM heeft afgelegd over zijn chemische wapens programma. In het
rapport is
een lijst opgenomen van bedrijven (voor zover bekend) die aan Irak
geleverd
hebben.
Er zijn twee Nederlandse bedrijven waarvan
vaststaat dat zij chemische stoffen aan Irak hebben geleverd en die
zeer
waarschijnlijk gebruikt zijn voor de productie van chemische wapens.
Het gaat
om Melchemie (Arnhem, nu Melspring genaamd) en KBS Holland (Terneuzen,
inmiddels Bravenboer en Scheers). Verder fungeerde de nu veroordeelde
zakenman
Frans van Anraat jarenlang als (illegale) handelaar in chemische
stoffen voor
Irak’s chemische wapens programma.
Melchemie
Melchemie heeft jarenlang chemische stoffen
aan Irak geleverd, waaronder chemicaliën die als grondstof voor de
productie
van gifgas gelden. Volgens een brief van het Iraakse staatsbedrijf SEPP
gaat
het tot 1985 in ieder geval om de volgende stoffen: 1000 ton
thionylchloride,
20 ton kaliumwaterstoffluoride, 60 ton fosforoxychloride, 5 ton
waterstoffluoride, 100 ton fosfor, 150 ton isopropylalcohol, 15 ton
pyridine en
30 ton o-chlorobenzaldehyde. Op één na – fosforoxychloride - vonden die
transacties overigens plaats zonder dat daarvoor een
exportvergunningsplicht
gold. Dat neemt niet weg dat Melchemie destijds had moeten weten dat de
stoffen
voor de productie van chemische wapens kunnen dienen.
Wanneer in 1984 voor de uitvoer van
fosforoxychloride, een grondstof voor mosterdgas, een vergunningsplicht
geldt,
neemt Melchemie, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen van ondermeer
het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, een order voor 60 ton van deze stof
aan van
SEPP. De fosforoxychloride wordt via Italië naar Irak verscheept, maar
de
levering stokt na twee ladingen van 10 ton. Na een tip van de CIA doet
de
Economische Controle Dienst (de huidige FIOD-ECD) in februari 1985 een
inval
bij Melchemie. Het komt uiteindelijk tot een rechtszaak, waarbij het
bedrijf
veroordeeld wordt tot een boete van honderdduizend gulden (45.000 euro)
en een
voorwaardelijke stillegging voor de duur van een jaar met een proeftijd
van
twee jaar.
Ook na de inval in 1985 en de veroordeling in
1986 is Melchemie doorgegaan met het leveren van chemische stoffen aan
Irak.
Het geheime FFCD rapport noemt aan de hand van een lijst van
leveranties het
bedrijf expliciet als leverancier voor het Iraakse chemische
wapenprogramma.
KBS
KBS levert in 1983 500 ton thiodiglycol (TDG)
aan Irak. Nadien wordt vooral vanwege de ongebruikelijke omvang van de
order
algemeen aangenomen dat het voor de productie van mosterdgas bestemd
was. Op
dat moment staat het nog niet op de lijst vergunningsplichtige
goederen. Ook
worden andere goederen, die deels later op die lijst terecht komen,
geleverd.
Het FFCD rapport noemt in de periode 1982-1984 leveranties van minimaal
550 ton
TDG, 150 ton thionylchloride en 600 ton natriumcyanide; de eerste twee
zijn
grondstoffen voor bijvoorbeeld mosterdgas, de laatste voor blauwzuur.
Wanneer in februari of maart 1984 weer een
omvangrijke order voor TDG binnenkomt bij KBS, wordt deze uiteindelijk
afgeslagen op advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Andere
handel
van KBS met Irak gaat wel gewoon door.
Kamervragen in 2005 over de vervolgbaarheid
van KBS, leiden tot afwijzende antwoorden van Minister Donner van
Justitie. Dat
is opmerkelijk, omdat
op voorhand niet duidelijk is wat KBS destijds van het mogelijke
eindgebruik
heeft geweten. Het bestaan van die kennis speelde namelijk in het
proces tegen
Frans van Anraat (zie hieronder) een sleutelrol.
Frans van Anraat
De Nederlandse zakenman Frans van Anraat is
jarenlang hofleverancier van het Iraakse chemische wapenprogramma. Hij
springt
in het gat dat met de nieuwe exportregels vanaf 1984 ontstaat. In 1989
wordt
hij in Milaan, op verzoek van de Amerikaanse(!) autoriteiten,
gearresteerd. Hij
weet te ontvluchten naar Bagdad wanneer hij tijdelijk in vrijheid is
gesteld.
Het zal dan nog bijna vijftien jaar
duren voordat hij alsnog aangehouden wordt. Een groot deel van die
tussenliggende tijd leidt hij naar verluidt een comfortabel leven in
Bagdad als
beschermeling van het Iraakse regime. Volgens de Amerikaanse douane zou
hij
tijdens zijn verblijf in Bagdad doorgegaan zijn met zijn werkzaamheden
en voor
Irak grondstoffen voor mosterdgas en zenuwgassen hebben gekocht in het
buitenland. In 1997 wordt hij nog ondervraagd door UNSCOM.
Met de Amerikaans-Britse aanval in 2003 wordt
het hem te heet onder de voeten. Hij krijgt een laissez-passer van de
Nederlandse ambassade en gaat in Amsterdam wonen.
De Nederlandse overheid kan misschien moeilijk
verweten worden dat zij niet tegen Van Anraat opgetreden heeft in de
lange
periode dat hij zich in Irak bevond, al was een veroordeling bij
verstek
misschien mogelijk geweest, vreemd wordt het wanneer hem bij terugkeer
naar
Nederland geen strobreed in de weg wordt gelegd. Niet alleen wordt hij
niet
aangehouden, hij verblijft naar verluidt zelfs enige tijd in een 'safe
house'
van de AIVD.
In eerste instantie lijkt het erop dat
justitie het er inderdaad bij laat zitten. Van Anraat die zich, mede
door de
bescherming van de AIVD, veilig waant, geeft vervolgens in enkele
interviews
toe grondstoffen voor gifgassen aan Irak geleverd te hebben en op den
duur ook
wel te weten waarvoor deze gebruikt zouden worden. Het Openbaar
Ministerie komt
dan alsnog in actie: Van Anraat wordt, vlak voordat hij Nederland wil
verlaten,
gearresteerd en vervolgd. Het OM legt hem 36 leveranties, met een
totaal van
2360 ton grondstoffen voor chemische wapens ten laste.
Op 23 december 2005 wordt hij door de
rechtbank in Den Haag veroordeeld wegens medeplichtigheid aan
“schending van de
wetten en gebruiken van oorlog”. Volgens de rechtbank wist hij, of had
althans
moeten weten, dat de door hem geleverde chemische stoffen voor de
productie van
gifgassen zouden worden gebruikt. Ook was er volgens de rechtbank
voldoende
bewijs om aan te nemen dat chemische wapens met door Van Anraat
geleverde
grondstoffen daadwerkelijk ingezet zijn door Irak.
Medeplichtigheid aan genocide acht de
rechtbank echter niet bewezen. Ondanks de vrijspraak voor dit zwaarste
ten
laste gelegde feit, wordt Van Anraat conform de eis van het Openbaar
Ministerie
veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaar.
Zowel Van
Anraat als het Openbaar Ministerie tekenen hoger beroep aan tegen het
vonnis
van de rechtbank. Op woensdag 9 mei 2007 doet het Gerechtshof daarin
uitspraak.