Uit: Vredesmagazine, voorjaar 2008

Marokko koopt fregatten bij De Schelde

Begin februari heeft Damen Shipyards, het moederconcern waaronder scheepswerf De Schelde valt, een contract getekend met de Marokkaanse overheid voor de levering van drie fregatten. De order is de derde grote klapper die de werf in een paar jaar tijd maakt. Vier jaar geleden tekende Indonesië voor de eerste grote exportorder van marineschepen in jaren (vier korvetten voor rond de een miljard euro). In december 2007 bestelde de Nederlandse marine voor bijna 500 miljoen euro nog eens vier patrouilleschepen bij de werf.

In 2000 was De Schelde nog op sterven na dood. Sinds de daaropvolgende, zwaar door de staat gesubsidieerde, overname door Damen gaat het dus weer bergopwaarts. Naar verluidt zijn de orderboeken tot 2013 vol en beraamt de werf zich op uitbreiding. Extra personeel wordt momenteel geworven.  

De Marokkaanse order is naar schatting ruim 800 miljoen euro waard. Voor dat bedrag is door kredietverzekeraar Atradius Dutch State Business een door de staat gedekte exportkredietverzekering afgegeven. Financiering vindt plaats door ING, RABO en Societé Generale. Hoewel nog geen exportverzekering is verstrekt lijkt de overheid geen problemen met de order te hebben, ondanks hoge bewapeningsuitgaven, een arme bevolking die voor een groot deel ongeletterd is en het uitblijven van een oplossing voor de West-Sahara die door Marokko is ingepikt. Militaire samenwerking met Noord-Afrikaanse landen onder het mom van ‘terrorismebestrijding’ en het tegengaan van ‘illegale immigratie’ gaat daarom hand in hand met de verkoop van waslijsten wapens waaraan die landen hoognodig behoefte zouden hebben. (Frank Slijper)

Defensie op de vrije markt?

Voor overheidsaanbestedingen binnen de Europese Unie gelden strikte procedures en is het stellen van andere dan puur commerciële voorwaarden (b.v. milieuvoorwaarden of sociale voorwaarden) vrijwel geheel verboden. In de vrije EU-markt wordt de vrijheid tot fatsoenlijk sociaal gedrag aanzienlijk beperkt. Tot nu toe werden defensieaankopen van deze regels uitgezonderd. Maar op dit moment doet de Europese Commissie pogingen om de Europese defensiemarkt ook in de rigide vrije markt van de EU te persen. Ze is een Richtlijn aan het ontwikkelen die overheden verplicht om defensiecontracten openbaar aan te besteden, zoals dat bijvoorbeeld ook moet met schoolboeken (waardoor het plan om in Nederland gratis schoolboeken te verstrekken waarschijnlijk onuitvoerbaar wordt).

Om tegemoet te komen aan de specifieke eisen die bij defensieaankopen een rol spelen, en die er mede aanleiding toe zijn dat defensie tot nu toe werd uitgezonderd, geeft de richtlijn wel de vrijheid om extra voorwaarden te stellen bij de aanbesteding, zoals een geheimhoudingsgarantie van strategische informatie of garanties voor naleveringen en onderhoud, met name cruciaal tijdens operaties. (Civiel) onderhoudspersoneel moet acuut beschikbaar zijn en bereid zijntot uitzending tijdens missies, en de industrie moet bereid zijn ineens productiecapaciteit vrij te maken voor urgente behoeftes van defensie.

Niet-strategische defensieaankopen (dus ‘niet-wapens’) vielen altijd al onder de aanbestedingsregels. Hiervoor geldt, dat bij haast de aanbestedingsprocedure verkort mag worden doorlopen, zoals bijvoorbeeld is gebeurd bij de aanschaf van berglaarzen voor personeel in Afghanistan.

Een geval apart, waar de Commissie nog niet uit is, is de gewoonte om bij internationale defensiecontacten offsets, ook wel compensatieorders, te bedingen. Bijvoorbeeld dat een deel van het werk in het kopende land wordt uitgevoerd of dat aanbestedingen voor eenzelfde bedrag als het aankoopbedrag voor het defensiematerieel wordt gedaan in het kopende land. Offsets zijn een belangrijk marketinginstrument in de defensiemarkt; wie de beste offsets beloofd haalt de order binnen. Ook in Nederland lijken dergelijke industriebelangen vaak de boventoon te voeren. Of de beloofde gouden bergen daadwerkelijk ook gerealiseerd worden is natuurlijk een tweede.

Maar het hele idee om van defensie-industrie een gewone commerciële bedrijfstak te maken gaat in tegen de tendens van steeds nauwere samenwerking tussen defensie en bedrijfsleven, al dan niet samen met TNO, die nodig is om de steeds specifiekere eisen aan zeer specialistische systemen te verwerken in ontwerpen. Zeker in de hightech Nederlandse defensie-industrie, die veel elektronica levert voor bijvoorbeeld communicatieapparatuur en precisiewapens, zijn op maat van de klant gesneden systemen alleen mogelijk in nauwe samenwerking. Niet alleen tijdens de ontwikkelingsfase, maar ook bij het daaropvolgende onderhoud. Sommige systemen zijn zo gespecialiseerd dat defensie daar geen speciale medewerkers voor kan opleiden. Deze samenwerking wordt door de Nederlandse regering ook expliciet gewenst om de defensie-industrie sterk en innovatief te houden.

Een laatste ontwikkeling tenslotte is het plan vanuit Brussel om voor wapenhandel ook een interne markt in te richten. Daarmee zouden Europese bedrijven makkelijker samen moeten kunnen werken, zonder te moeten voldoen aan wat een ‘verstikkende bureaucratie’ heet te zijn. Kortom, er zullen dan geen exportvergunningen meer nodig zijn voor de handel in militaire goederen, zolang die binnen de grenzen van de Unie blijft. Groot bezwaar is uiteraard dat daarmee het zicht op een belangrijk deel van de wapenhandel verdwijnt, en erger nog, Europese wapens uiteindelijk de Unie zullen verlaten op een exportvergunning van het land met de laagste drempels. Want zolang Europese wapenexportcriteria van land tot land anders worden uitgelegd en toegepast biedt een interne markt een ideaal middel voor bedrijven, bijvoorbeeld uit Nederland, om hun spullen eerst naar pakweg Bulgarije of Frankrijk te exporteren, om ze van daaruit vervolgens naar een land van eindbestemming te vervoeren op een vergunning die ze van de Nederlandse autoriteiten nooit hadden gekregen. (Wendela de Vries en Frank Slijper)

Joint Strike Fighter

Op 29 februari stuurde de regering een brief naar de Tweede Kamer over de Joint Strike Fighter, meer precies de aanschaf van twee testtoestellen. Veertien pagina’s wetenswaardig- en onbenulligheden over het grootste wapenprogramma voor de Nederlandse krijgmacht ooit. Dat groot geen kwaliteitskenmerk is, wisten we al. Dat groot vaak duur is, ook. Bij de JSF gaat het echter om het beste product voor de beste prijs, zo stelt de brief, en dat wil Nederland uit gaan testen. Er zijn vier landen die JSF testvliegtuigen gaan kopen: de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, (waarschijnlijk) Italië en, ja hoor, ook de brave Henkies uit Nederland. Kosten van de twee vliegtuigen: 275 miljoen euro. Er is verder nog een klein probleempje, waarover nauwelijks gesproken is. De totale JSF programmakosten zijn iets hoger dan verwacht: ruim 200 miljoen euro. Hoeveel stijgingen nog volgen is onbekend, maar dat ze zullen volgen is onvermijdelijk. Want op 11 maart liet de Amerikaanse Rekenkamer GAO twee rapporten het licht zien waarbij de Nederlandse cijfers verbleken. Alleen al in 2006 (het laatste jaar waarover volledige cijfers beschikbaar waren) stegen de begrote kosten voor het Amerikaanse programma met 23 miljard dollar naar in totaal 299 miljard. De GAO tekent daarbij aan dat de kostenschattingen zo slecht inzichtelijk zijn dat ernstig rekening gehouden moet worden met een extra stijging van 38 miljard dollar. Een meerderheid in de Nederlandse politiek, CDA en VVD voorop, nemen de opeenstapeling van slechte berichten van de afgelopen jaren voor lief. Onder het mom van samen optrekken met de Amerikanen en grote belangen voor de Nederlandse industrie, blijven ze blind geloven in de JSF. (Martin Broek en Frank Slijper)

Defensiecenten

In maart stelde de regering een commissie in die in 2009 rapport uit moet brengen over de Nederlandse krijgsmacht. Er zal een lijvige tekst komen. Nu al wordt verwacht dat kernpunt zal zijn: er moet meer geld bij, zo gaat het niet langer. Raymond Knops van het CDA nam al een voorschot. Nederland moet twee procent van het Bruto Nationaal Product aan Defensie gaan besteden. Dat is ook een NAVO wens, aldus het Kamerlid. Dat vrijwel geen enkel land binnen de NAVO daaraan voldoet, wordt door Knops niet genoemd. Dat Nederland voor een klein land een flinke bedrag besteedt aan zijn soldaten en hun wapens daar gaat hij ook aan voorbij. In de wereld staat Nederland op plaats zeventien, wat militaire uitgaven betreft. Na landen als Japan, India, de Verenigde Staten, Rusland, Engeland, Frankrijk, Duitsland, Spanje etc. als klein land fier bij de eerste twintig. Ook binnen de NAVO scoort Nederland met een tiende positie niet opvallend laag. Maar er moet meer bij. Maar waarom dan? De 26 NAVO-landen besteden nu al evenveel aan wapens en militairen dan de rest van de wereld samen. (Martin Broek)