Wapenexportbeleid; meer woorden, minder beperkingen
uit: VD AMOK nr. 4 2000
Martin Broek en Frank Slijper
Tijdens een parlementair overleg omtrent het Nederlandse
wapenexportbeleid in november vorig jaar drongen verscheidene
Kamerleden aan op een duidelijke definiëring van het begrip
spanningsgebied, dat geldt als criterium bij de besluitvorming rond
wapenexporten. Ook maanden parlementariërs de Minister tot meer
daadkracht bij het uitbreiden van het bestaande beleid met een nieuw
criterium, dat landen die niet aan het VN-wapenregister rapporteren zou
moeten uitsluiten van Nederlands wapentuig. Onlangs liet de regering
haar huiswerk zien. Het verdient helaas een dikke onvoldoende.
Spanningsgebieden bestaan niet
Enige jaren geleden viel het VVD Kamerlid Van den Doel op dat er
"ondanks de tientallen brandhaarden en sluimerende conflicten in de
wereld er bijna geen regio is waar Nederland geen strategische goederen
en wapens naar toe exporteert". Een scherpe observatie die terecht de
toepassing van het zogeheten spanningsgebieden criterium uit de
Nederlandse en Europese wapenexportrichtlijnen onderuit haalt. Alleen
met betrekking tot het Grote Meren gebied in Afrika heeft Nederland een
beleid dat in lijn is met de uitgangspunten van het op papier staande
beleid. Het viel meer Kamerleden op dat er iets wringt tussen de
uitgangspunten van het beleid en de praktijk van de exporten; reden
waarom de Regering verzocht werd dit spanningsgebieden criterium nader
toe te lichten. De recent verschenen notitie geeft een weinig
verheugend inzicht in de afwegingen die Buitenlandse Zaken maakt
alvorens de levering van wapens toe te staan.
Het ministerie weegt af of te leveren materieel gebruikt kan worden
voor agressie tegen een ander land of voor het onderstrepen van
territoriale aanspraken. Het gaat dus niet om een absoluut verbod van
wapenleveranties aan spanningsgebieden: alleen wapens die gebruikt
kunnen worden in een potentieel conflict worden niet geleverd. Wie de
bewijslast hiervoor levert is niet duidelijk. Buitenlandse Zaken
bepaalt dit risico aan de hand van vier criteria.
Allereerst wordt bekeken of het land van bestemming in een gewapend
conflict verwikkeld is, dan wel of het uitbreken daarvan waarschijnlijk
is. "In het geval het bestemmingsland is betrokken bij een gewapend
conflict, zal Nederland in principe een levering (..) ongewenst achten,
tenzij sprake is van bondgenootschappelijke verplichtingen en de
levering plaats vindt in het kader van het recht op zelfverdediging."
Het al danig verwaterde algemene uitgangspunt wordt hier nog verder
ontkracht; zelfs landen in oorlog kunnen volgens deze omschrijving nog
wapens ontvangen van Nederland. Om uit te maken of het waarschijnlijk
is dat een conflict uit zal breken hanteert Buitenlandse Zaken een
aantal meetpunten die verdeeld zijn in "negatieve en positieve
factoren", waartussen een afweging moet worden gemaakt.
"Vanzelfsprekend is het mogelijk dat in concrete gevallen bijkomende,
of andere factoren van belang blijken te zijn." Vooral op het punt van
de waarschijnlijkheid van een conflict kunnen de meningen nogal
uiteenlopen. Het analysekader is in dit verband van groot belang en
bepalend voor de uitkomst. Geen enkele organisatie kan zich echter
beroepen op een feilloos inzicht in het al dan niet uitbreken van
conflicten. Laat staan dat de aard van het conflict en de daarbij
gebruikte wapens op voorhand vast zou staan. Reden waarom juist de
geringste twijfel zou moeten leiden tot afwijzing van een
wapenexportvergunning.
Het begrip �land van eindbestemming� dat hier gehanteerd wordt is
bovendien aan zware slijtage onderhevig. Als antwoord op de wapenhandel
schandalen rond de eerste en tweede Golfoorlog werd een
eindbestemmingsverklaring ingevoerd. Het bleek dat in verschillende
gevallen wapens die op papier naar NAVO-bondgenoten Portugal en
Griekenland gingen, uiteindelijk in Irak of Iran terechtkwamen. Dit
systeem van eindbestemmingsverklaringen staat nu alweer op de helling.
In het kader van de Europeanisering van de defensie-industrie neigen de
lidstaten er toe de controle over te laten aan het land van
eindassemblage. Hiermee is het gevaar ontstaan dat het land met de
soepelste toepassing van de EU-gedragscode het beleid gaat bepalen.
Lijkt Nederland te gaan steigeren bij een leverantie van Hollandse
Signaal, is het eenvoudiger de order via de Franse moeder Thomson te
laten lopen. De toch al boterzachte, want niet gesanctioneerde,
eindbestemmings maatregel blijkt ook regelmatig geschonden te worden.
Turkije leverde bijvoorbeeld tijdens het EU-embargo van vorig jaar
Duitse wapens door aan Indonesië. Bahrein bleek onlangs Britse
nachtzichtapparatuur en pantservoertuigen voor snelle interventie aan
Algerije doorverkocht te hebben. Een niet zo elegante, maar wel handige
oplossing, voor een controversiële leveringen.
Als tweede criterium bekijkt Buitenlandse Zaken of het ontvangende land
territoriale claims heeft op het buurland en deze in het verleden met
(de dreiging van) geweld kracht heeft bijgezet. Ook hier is een
verzachtende factor ingebouwd. Aanspraken op elkaars grondgebied tellen
minder zwaar wanneer deze zijn "ingebed in een breed en overheersend
kader van bilaterale samenwerking, (...) ook al zou in het verleden met
geweld zijn gedreigd." Het is voor activisten tegen wapenhandel geen
onbekend fenomeen dat de overheid schermt met dit soort contacten, die
in het verloop van een politiek proces rond het conflict toch minder
betekenden dan in de visie van Buitenlandse Zaken werd gesteld.
Ten derde wordt beoordeeld of het waarschijnlijk is dat de geleverde
wapens gezien hun aard ingezet zullen worden in een (eventuele) oorlog.
Dit hangt vanzelfsprekend samen met de aard van het conflict en de
ontwikkeling daarvan. Wederom een kwestie van analysekader en koffiedik
kijken. Daar waar wordt beoordeeld of het waarschijnlijk is of
wapensystemen al dan niet ingezet zullen worden in een conflict wordt
bovendien geschermd met de begrippen defensieve en offensieve
wapensystemen. Een luchtverdedigingssysteem is defensief en
aanvalshelikopters zijn offensief, volgens de notitie. Niet alleen
wordt hierdoor de terughoudendheid bij levering aan conflictgebieden
nog verder verzwakt, maar tevens gebruik gemaakt van een kunstmatig
onderscheid. Je kan evengoed stellen dat aanvalshelikopters defensieve
taken kunnen hebben en dat
luchtverdedigingssystemen essentieel kunnen zijn in een offensieve
strategie. Daarnaast is deze omschrijving toegesneden op de
wapensystemen van Nederlands belangrijkste wapenfabrikant Signaal. Ook
met dit criterium kan men weer alle kanten op.
Ten slotte wordt ingegaan op het criterium dat de regionale stabiliteit
niet negatief mag worden beïnvloed. Dit wordt van zoveel kanttekeningen
voorzien dat het hele wegingprincipe nutteloos wordt. De staat die de
wapens aankoopt moet zich kunnen verdedigen tegen alle omringende
landen of een combinatie daarvan, zo wordt gesteld. De kritiek ligt
voor de hand. Door een dergelijke visie op het vierde criterium, worden
wapenwedlopen mogelijk in de hand gewerkt, maar in ieder geval niet
belemmerd. Buitenlandse Zaken is zich hiervan bewust en doet deze
kritiek af met de dooddoener dat "hoe ongelukkig een bewapeningsspiraal
op zich ook is", het leveren van de "gevraagde verdedigingsmiddelen"
een vorm van militair evenwicht en stabiliteit kan zijn. Een uitspraak
die gelogenstraft wordt door onderzoek waaruit blijkt dat staten in een
potentieel conflictgebied, die veel wapens kopen juist een veel grotere
kans hebben in oorlog te raken dan wanneer conflicterende landen niet
in een wapenwedloop zijn betrokken.
Het stuk over het spanningsgebiedencriterium laat in alle vier de
ijkpunten zoveel interpretatieruimte over, dat de uitvoering sterk af
zal hangen van de politieke koers die Buitenlandse Zaken en de
Kamerleden voorstaan. De positieve voorbeelden in het slot van de
notitie geven dit duidelijk weer. De vergunningstop naar India en
Pakistan (beide belangrijke klanten voor Nederlandse wapens) werd van
kracht door druk van het Parlement op Buitenlandse Zaken. Terwijl de
EU-verklaring over wapenexporten naar het Grote meren gebied (waar
Nederland toch al nauwelijks of geen wapens aan leverde) tot stand kwam
na inzet van Buitenlandse Zaken. Belangrijk is dat de notitie inzicht
biedt in een aantal belangrijke wegingsgronden. Bij afwezigheid van een
krachtige oppositie tegen leveranties zal er echter vooralsnog weinig
veranderen aan het beleid, waarin het vooral anti-westerse landen en
zwakke, arme en instabiele staten zijn die het zonder Nederlandse
wapensystemen moeten stellen. Het spanningscriterium is daarom zo goed
als overbodig, aangezien veel leveranties aan deze landen wegens andere
criteria (mensenrechten en armoede) al verboden zouden moeten worden.
Het begrip 'spanningsgebieden criterium' dekt de lading van het beleid
geenszins. Niet de situatie in regio's wordt beoordeeld, maar of landen
in gevoelige regio's Nederlandse wapens kunnen krijgen of niet. De hele
notitie ademt de sfeer van business as usual uit. De ook hier weer
opduikende zinsnede dat terughoudendheid het kenmerk is van het
Nederlandse wapenexportbeleid begint zo langzamerhand een meer dan
versleten cliché te worden.
F-16's voor de Emiraten?
Niet alleen is het spanningsgebieden criterium verder uitgewerkt er is
ook een nieuw criterium toegevoegd aan het Nederlandse
wapenexportbeleid. Het regeerakkoord van Paars 2 beloofde al nieuwe
accenten in dit beleid. Een van de veranderingen waar het hoog op in
zette was de introductie van een nieuw criterium dat landen die
weigeren te rapporteren aan het VN-wapenregister zou uitsluiten van
Nederlandse wapens. Liefst zou de regering zien dat zo veel mogelijk EU
bondgenoten het Nederlandse initiatief zouden volgen, zodat van een
krachtig Europees signaal sprake zou zijn. Minister van Buitenlandse
Zaken Van Aartsen kreeg helaas weinig bijval van zijn vrienden en dus
zat men nogal met het nieuwe criterium in de maag. Vooral Apostolou
(PvdA) vond dat de minister zijn regeringsbelofte diende na te komen,
ook zonder EU-steun. Eind februari is door de druk van de Kamer aan die
eis voldaan. In een brief aan het parlement kondigen Van Aartsen en
staatssecretaris Ybema (EZ) het nieuwe criterium aan, maar doen meteen
een flinke scheut water bij de wijn. Nederland gaat "rekening houden
met de vraag of het land van eindbestemming deelneemt aan het
VN-wapenregister" en dat is bepaald minder bindend dan wat aanvankelijk
werd beloofd. Een eerste test voor de hardheid van het criterium bood
zich kort na de introductie aan. In de militaire pers was het bericht
verschenen dat Nederland 20 tweedehands F-16's aan de Verenigde
Arabische Emiraten (VAE) aanbood, schijnbaar als trainingsvliegtuig. De
VAE is een van de landen in het Midden-Oosten dat niet aan het register
z'n wapen aan- en verkopen meldt. In antwoord op Kamervragen van SP-er
Van Bommel over de mogelijke deal, antwoordt defensieminister De Grave
dat de VAE weliswaar niet rapporteert, maar dat het voor het overige
een "betrouwbare partner in de internationale gemeenschap" is. Verder
geeft het conflict met Iran over drie eilandjes in de Golf "geen
aanleiding tot spanningen (...), die doen vrezen voor een gewapend
conflict." Zoals de notitie van Van Aartsen over het spanningsgebieden
criterium (zie boven) al deed vermoeden, is de regering niet snel
bezorgd over het mogelijk uitbreken van een conflict. Tussen Iran en de
VAE botert het echter allerminst. De problemen concentreren zich vooral
rond het eiland Abu Musa, dat de VAE claimt, maar door Iran wordt
bezet. Het is daarom onbegrijpelijk dat Nederland een eventuele
confrontatie bagatelliseert.
Als uitsmijter merkt De Grave op dat de VAE "geen democratie in de
westerse zin des woords" kennen. "Zo is het verboden om politieke
partijen en vakbonden op te richten en is de vrijheid van meningsuiting
beperkt. De vraag of een land een democratie in de westerse zin is,
vormt echter geen apart criterium". "Alles afwegende" zal de regering
een eventuele vergunningaanvraag daarom positief beoordelen. Het nieuwe
criterium over het VN-wapenregister is in zijn huidige vorm daarom een
lachertje.
Overigens is Duitsland op papier ook nog altijd in de race om de VAE
tweedehands Alpha-Jet trainings jachtbommenwerpers te verkopen. Grote
weerstand in de Bundestag, waar wapenleveranties aan het Midden-Oosten
altijd omstreden zijn, heeft dusdanige vertragingen opgeleverd dat de
Emiraten hun hoop nu (mede) op Nederland hebben gevestigd.
Nederlandse wapenhandel in 1999
Naast alle treurnis zijn er ook positieve ontwikkelingen te melden. Zo
wordt al weer sinds enige jaren wat meer openheid gegeven over de
landen die Nederlandse wapens afnemen. In de jaren negentig waren de
Verenigde Arabische Emiraten, Oostenrijk, Zuid-Korea, India, Egypte,
Taiwan, Qatar, Indonesië, Chili en Zweden, buiten de NAVO, de tien
belangrijkste afnemers van Nederlandse wapens. Voorwaar een respectabel
rijtje als je denkt aan de mensenrechten en spanningsgebieden. Voor
leveringen aan NAVO-landen bestaan alleen cijfers vanaf 1997. Daaruit
blijkt dat, in volgorde van grootte, de VS, Duitsland, Turkije,
Groot-Brittannië en Griekenland sindsdien ieder voor meer dan 100
miljoen gulden aan Nederlandse wapens kochten. Heel veel zegt dit
overigens niet. Vooral Duitsland en de Verenigde Staten nemen hier veel
onderdelen af voor wapensystemen die vervolgens worden geleverd aan
andere klanten. De Nederlandse wapenindustrie fabriceert bijvoorbeeld
delen van F-16s, Apache gevechtshelikopters en Leopard tanks.
Niet alle aanvragen voor exportvergunningen worden door de Nederlandse
overheid gehonoreerd. Nederland is een van de weinige landen binnen de
Europese Unie dat een overzicht publiceert van geweigerde vergunningen.
Niet tot ieders genoegen. Zo stelt het Britse ministerie van
Buitenlandse Zaken: "De Nederlandse regering moet zelf beslissen welke
mate van transparantie hen past. Niettemin stelt de Gedragscode
duidelijk dat �lidstaten berichten van geweigerde vergunningen en
consultaties geheim houden�." In 1999 weigerde de Nederlandse overheid
vergunningen aan Honduras, Colombia, Egypte (3), Israël (3) en Turkije
(4), allemaal voor (onderdelen van) munitie en handvuurwapens en in het
geval van Turkije onderdelen voor pantservoertuigen. In een niet nader
genoemd geval heeft een andere lidstaat van de EU de levering
overgenomen die het Ministerie van Buitenlandse Zaken het jaar ervoor
had tegengehouden. Hoogstwaarschijnlijk is het Frankrijk geweest dat
geen bezwaren zag in het leveren van periscopen voor Turkse
pantservoertuigen, daar waar Nederland die order tegenhield. Ondanks
alle mooie woorden zit er dus nog altijd niet veel eenheid in het
Europese wapenexportbeleid. Hoewel Nederland wapenhandel met India en
Pakistan nog altijd niet toestaat, hebben de Britten eerder dit jaar
hun exportstop opgeheven. Het jaren oude EU embargo tegen China is zo
ruim gedefinieerd dat ieder land naar eigen goeddunken de grenzen ervan
bepaalt. Voor Nederland betekent de Europese regelgeving, die wordt
gedomineerd door grote wapenexporteurs als Groot-Brittannië, Frankrijk
en Duitsland, voornamelijk een uitholling van het nationale beleid.
Daarnaast vergroot de Europeaniserende defensie-industrie de druk op
een soepel Europees beleid.
Vanwege Benelux afspraken zijn België en Luxemburg van de Nederlandse
rapportage uitgesloten. In deze leemte is sinds kort gedeeltelijk
voorzien, omdat België in haar jaarrapport weergeeft voor welke waarde
het wapens in het buitenland (waaronder Nederland) heeft gekocht. Voor
1999 was dit overigens geen schokkend cijfer: drie miljoen gulden. Deze
weergave van importcijfers is een waardevolle bijdrage aan het
Belgische rapport. Bovendien bevat hun rapportage ook andere informatie
die in Nederland ontbreekt, namelijk voor welk bedrag per categorie
wapensystemen naar welk land is geëxporteerd. Hiermee ontstaat een veel
beter inzicht in de wapenstromen, waardoor orders veel beter zijn te
beoordelen. In Nederland blijft nog altijd onduidelijk wat welk land nu
gekocht heeft; alleen vertrouwelijk mogen parlementariërs hier antwoord
op krijgen. Het Nederlandse rapport kan dus nog aanzienlijk verbeteren.
De tien belangrijkste
Nederlandse wapenafnemers in 1999
| Diverse NAVO-landen * |
121,8 |
| Duitsland |
178,2 |
| VS |
119,3 |
| Indonesië |
81,5 |
| Engeland |
74,2 |
| Turkije |
38,4 |
| Canada |
37,5 |
| Taiwan |
18,8 |
| Griekenland |
18,4 |
| Frankrijk |
11,3 |
| Totaal alle landen |
807,3 miljoen |
* Dit betreft 'bulk' exportvergunningen voor wapens die voor
meerdere
NAVO-landen (m.u.v. Turkije en Griekenland) zijn toegestaan.