Wapens in plaats van ontwikkeling

VD AMOK nr.1, 2000

Wereldwijd is de Arabische samenleving het meest gemilitariseerd. Volgens de Economische en Sociale Commissie voor Westelijk Azië van de Verenigde Naties (ESCWA) besteedden Arabische staten in het Midden-Oosten in 1985 12,7 procent van hun Bruto Nationaal Produkt (BNP) aan het leger. Wereldwijd lag dit toen op ongeveer 4 procent. Hoewel ze meedaalden met de internationale trend na het einde van na de koude oorlog, lagen de militaire uitgaven van de betrokken landen (Bahrein, Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libanon, de autonome Palestijnse gebieden, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Syrië en de Verenigde Arabische Emiraten) in 1996 nog altijd op 7,8 procent van het BNP, tegen 2,4 procent wereldwijd. Twee jaar later stegen ze zelfs weer naar 8,8 procent. Ter vergelijking: het Nederlandse defensiebudget ligt op 1,8 procent van het BNP.

Deze militaire politiek gaat ten koste van fundamentele investeringen in gezondheidszorg en onderwijs, met alle gevolgen van dien in een steeds sterker geïnformatiseerde maatschappij. "Ontwikkelingslanden die niet beschikken over de menselijke hulpbronnen die nodig zijn om deel te nemen aan op kennis gebaseerde economische activiteit, lopen gevaar achter te blijven in de wereldmarkt", aldus secretaris-generaal Beblawi van de ESCWA.

Ook de Europese Unie spreekt in zijn Code of Conduct voor wapenexporten over "de wenselijkheid dat staten met een zo gering mogelijk beslag op mensen en economische middelen voor bewapening, in hun legitieme veiligheids- en defensie behoeften voorzien". Toch verdienen vooral westerse landen, waaronder Nederland, volop van de gigantische bewapeningsprogramma's in het Midden-Oosten. De VAE (912,6 miljoen gulden), Egypte (255 miljoen), Qatar (190,2 miljoen), Bahrein (38 miljoen) en Saoedi-Arabië (26,5 miljoen) spekten de Nederlandse economie in minder dan tien jaar tijd met bijna anderhalf miljard gulden aan wapenorders. Reden temeer grote vraagtekens te zetten bij het nut van gedragscodes en andere mooipraterij.

bron: o.a. NRC, 23 december 1999