Codes of Conduct en economische kant van wapenhandel
Martin Broek
Wapens zijn een bijzonder product ze hebben invloed op de veiligheid en
mensenrechten in landen en regio's. Bovendien worden ze vrijwel
uitsluitend verkocht aan staten. Het is daarom niet zo vreemd dat er al
tientallen jaren gedragscodes zijn voor wapenexporten. Die gedragscodes
zijn tot stand gekomen in twee periodes:
- de periode Den Uyl (tweede helft jaren zeventig), toen werd
gepoogd een ethische grondslag te geven aan de Buitenlandse politiek en
- gedurende de periode van Ontspanning tussen Oost en West in de
jaren negentig toen wapenexporten een deel van hun strategische belang
'het steunen van bondgenoten' verloren.
In 1975 werden in Nederland de eerste criteria voor wapenexporten op
papier gezet in de nota Ontwapening en Veiligheid. Een aantal andere
nota's en rapporten zouden volgen (Rapport inzake het militair
industrieel complex, 1977 en de nota Rechten van de mens in het
Buitenlandsbeleid, 1979). De sluipwegen die de wapenindustrie
bewandelde om wapens aan Irak en Iran te leveren leidde er in 1988 toe
dat er een eindbestemmingverklaring werd ingevoerd. De huidige
richtlijnen - die zoals het woord al aangeeft niet bindend zijn -
werden in 1991 op papier gezet en daarin is sprake van een drietal
criteria op grond waarvan moet worden beoordeeld of een levering door
de beugel kan:
- De mensenrechten situatie in het ontvangende land;
- De aanwezigheid van spanningen tussen het ontvangende land en
anderen; en
- Het van kracht zijn van internationale embargo�s.
In 1992 werd daar nog een vierde criterium aan toegevoegd:
- De verhouding tussen militaire en sociale uitgaven en de mate van
overbewapening van het ontvangende land.
Dit laatste criterium wordt alleen gebruik in het geval Nederland een
ontwikkelingsrelatie heeft met het ontvangende land. Een beperking die
de nodige twijfels oproept, zeker in het huidige debat over beperking
van het aantal ontvangende landen op grond van een goed bestuur.
Vanaf het begin waren de nota's inzet van veel politiek discussie. In
1975 stond Nederland op het punt drie grote oorlogsschepen aan de
marine van Indonesië te leveren. Voor het RSV concern een belangrijke
order. De eerste contacten hiervoor stammen uit het begin van de jaren
zeventig toen Indonesië drie miljoen politieke gevangenen had.
Bovendien werd in 1975 werd Oost-Timor geannexeerd. De levering ging
echter door.
Het is duidelijk waar de schoen wringt. De richtlijnen zijn niet alleen
niet bindend ze zijn ook voor meerdere uitleg vatbaar. Hiervan zijn
legio voorbeelden te geven, maar laat ik me beperken tot twee:
- Op een bijeenkomst voorjaar 1998 werd VVD parlementariër Blauw
gevraagd of India niet onder het spanningsgebieden criterium zou moeten
vallen. Geen sprake van, de ontwikkelingen in India zijn positief, was
zijn antwoord. Een maand later ontplofte de kernbommen en weer een jaar
later werd er oorlog met Pakistan gevoerd.
- Er is een wapenembargo van de Europese Unie tegen China. In de
Nederlandse overzichten van Nederlandse wapenexporten prijkt China
echter steevast als ontvanger. 'Hoe kan dat nu?', werd Van Mierlo en
Van Aartsen gevraagd. Het gaat hier om optische technologie, het stelt
niet zoveel voor en andere EU lidstaten leveren ook. Het Nederlandse
bedrijf Delft Instruments levert al jaren nachtzichtapparatuur aan het
Chinese leger en blijft dat doen, omdat anderen dat ook doen. Ook hier
een vrije interpretatie van de richtlijnen.
Dit gebeurd natuurlijk niet alleen in Nederland, ook andere landen, als
ze al criteria hadden, interpreteerden er lustig op los. De
wapenleveranties aan Rwanda door Frankrijk en leveranties aan Indonesië
door Zweden, Engeland, Duitsland, Nederland en Frankrijk en die aan
NAVO bondgenoot Turkije zouden niet kunnen bij een strikte
interpretatie van de richtlijnen. Het wreekt zich dan ook dat de
richtlijnen niet bindend zijn en buitenlands politieke en economische
overwegingen minstens zo'n belangrijke rol spelen, maar het wreekt zich
nog meer dat de richtlijnen multi-interpretabel zijn.
Dit werd opgepikt door een bundelingen van NGO's die zich gingen
inzetten voor een Gedragscode op het gebied van wapenexporten op
Europese Unie niveau. In mei 1998 leidde dit er toe dat er een
uitgebreide gedragscode werd aangenomen bestaande uit acht punten, die
min of meer overeenkomen met de Nederlandse richtlijnen. (Sheet) In
Nederland zetten ambtenaren een aantal richtlijnen voor het gebruik van
de richtlijnen op papier die een handleiding vormen voor het gebruik
van de richtlijnen. Meer papier, meer nota's en brieven, maar de
kwestie van het naar de al eerder genoemde belangen toe interpreteren
blijkt niet uit de weg te helpen als er geen bereidheid is de
richtlijnen in letter EN geest te volgen.
Op Buitenlandspolitiek gebied zijn er sinds 1989 meer openingen. Met
name de discussie rond wapenleveranties naar sub-Saharan Afrika is in
een stroomversnelling terechtgekomen. Niet langer een speelbal van Oost
en West zijn de wapenleveranties aan deze landen om geopolitiek redenen
minder van belang. Militaire spanningen en mensenrechten, inclusief de
schrijnende armoede waarin grote delen van de bevolking leeft, kunnen
nu een grotere rol spelen bij afwegingen of er al dan niet geleverd
moet worden. De Nederlandse overheid speelt een voortrekkers rol in
deze discussie, met als trefwoorden genocide, kindsoldaten en kleine
wapens. Vreemd is wel dat landen als Colombia, Bangladesh en Algerije
met een vergelijkbare toestand niet mee mogen delen van dit ethisch
bewustzijn en nog steeds of juist sinds kort Nederlandse wapens
ontvangen.
De economische kant van de wapenhandel
Hoewel het bij kritiek op wapenhandel volgens ons vooral gaat om
politieke, morele en ethische overwegingen wil ik toch ook ingaan op de
economische kant van de wapenhandel. Wapenhandel levert banen op en dat
is voor U als belangenbehartiger voor werknemers en bedrijfsleven een
belangrijk onderwerp.
Om te beginnen wil ik een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse
wapenexporten noemen, de doorvoer of transito van wapens via lucht- en
zeehaven, spoor en weg verbindingen. Het gaat hier om een heel
belangrijk deel van de Nederlandse bijdrage aan de wereldwijde
wapenstromen. Een deel van de wapenhandel waar verder weinig over
bekend is. Dat dit deel niet te verwaarlozen is wordt alleen al
duidelijk uit de zeer onvolledige en schaarse informatie die momenteel
voorhanden is. Momenteel wordt gewerkt aan een wetsontwerp waardoor
controle mogelijkheden groter worden, maar een echt goede controle zal
stuiten op het 'tijd is geld' argument. Goede controle kost tijd en
verlaagt de afhandelingsnelheid. De controle zal daarom helaas
gebaseerd blijven op tips, verdenkingen en steekproeven. Om niet geheel
afhankelijk te zijn van inlichtingendiensten, die het merendeel van de
tips geven, zou het goed zijn als er zekere mate van waakzaamheid op
dit gebied zou zijn vanuit de maatschappij. Door dit soort waakzaamheid
werd begin dit jaar een leverantie in de Antwerpse haven voor Eritreese
leger tegen gehouden. Ik zou U willen vragen of U daar ook in Nederland
mogelijkheden toe ziet.
Nu naar de defensie-industrie zelf. Deze industrie produceert per jaar
voor ongeveer 3 miljard aan wapens. Dat is een niet zo�n heel groot
bedrag. Ongeveer 0,2% van de totale Nederlandse export. Volgens het
statisch bureau van de VN exporteerde Nederland in 1998 in waarde meer
aan eieren dan wapens. (Sheets) Ook voor de betrokken 150 bedrijven
(met een gezamenlijk omzet van 46,0 miljard gulden) gaat de militaire
productie maar om 6,5% van de totale omzet. Van de medewerkers van deze
bedrijven is 8,4%, zo'n 12.000 personen werkzaam op militair gebied,
waarvan 2000 (1/6) bij Hollandse Signaal Apparaten dat 25% van die
productie voor haar rekening neemt. De wapenindustrie is kortom niet
van groot belang voor de Nederlandse economie. Nog minder van belang
zijn de wapenexporten. 1/3 van de productie is voor export dat betekent
dat minder dan 4000 personen binnen die exportsector werken (de zgn.
labour learning curves). Dit is niet alleen van belang voor die mensen
binnen de vredesbeweging die telkenmale stellen dat de wapenfabrikanten
kolossale winsten maken bij wapenexporten, het is ook belangrijk voor
hen die stellen dat het in stand houden van de defensie-industrie
belangrijk is voor de economie en de banenmarkt.
Het bovenstaande geeft ook het relatieve belang aan van al de aandacht
voor conversie. Dikke pillen zijn geschreven over dit onderwerp,
waarschijnlijk alleen vanuit de visie dat kritiek gepaard moet gaan met
positieve voorstellen. Polemologen kropen in de huid van ondernemers en
bedachten de prachtigste plannen. De kennis voor de conversie zit
echter in de ondernemingen en niet in de vredesbeweging of de
polemologische instituten. Bovendien moeten we harde werkelijkheid
onder ogen zien dat bedrijven als HSA die voor 99% afhankelijk zijn van
militaire opdrachten een heel marketing apparaat, onderzoeks- en
productieproces hebben dat volledig is toegesneden op de militaire
markt en conversie zoveel betekent als een nieuw bedrijf opzetten.
Falen van conversie plannen bij dit soort bedrijven is dus bijna
gegarandeerd.
Persoonlijk kan ik hier niet zo heel erg mee zitten. Dat heeft niets te
maken met harteloosheid. Dat heeft er mee te maken dat wapenhandel vaak
een negatief effect heeft op mensenrechten en veiligheidssituaties, het
heeft er mee te maken dat ik betere bestemmingen kan bedenken voor geld
dan wapens en tenslotte vraag ik me af waarom de overheid geld zou
moeten steken in het overeind houden van de wapenindustrie.
In 1998 werd voor deze bedrijfstak minimaal 340 miljoen gulden subsidie
opzij gezet. Dat betekent ruim 29.000 gulden per baan, waarvan 50
miljoen naar de scheepswerf de Schelde ging. (In deze subsidies zitten
dan niet de in de bijdragen in de vorm van exportkredieten,
rondreizende staatssecretarissen, gegarandeerde afname, binnenlandse
vaak duurdere aanbestedingen wegens de schaal van de Nederlandse
defensie-industrie, goedkope overdracht twee hands wapens, snelle
vervanging van wapens, inzetten van defensiefaciliteiten voor export
promotie etc.) Ik ben geen bedrijfseconoom maar 350 miljoen gulden
subsidie op een totale omzet van 3 miljard lijkt mij rijkelijk veel. De
Verenigde Staten stak in 1995 overigens 15 miljard gulden subsidie in
zijn defensie-industrie. Overigens zegt de defensie-industrie zelf dat
ze niet kan overleven zonder deze subsidies, wegens de t.o.v. de jaren
tachtig geringere omzet en de zwaar gestegen kosten van onderzoek en
ontwikkeling.
Al het geld dat nu in de defensie-industrie wordt gestoken kan ook voor
andere doeleinden worden gebruikt. Het lijkt me voor een vakbond dan
ook geen slechte zaak als ze een duidelijke keuze maakt dat de
defensie-industrie niet te steunen. Het kan de Nederlandse economie en
werkgelegenheid alleen maar ten goede komen nu een schip met zware
averij te verlaten en te pleiten voor het steken van geld in
bijvoorbeeld innovatieve bedrijfstakken en banenplannen. Het is er nu
de tijd voor: er is overcapaciteit in op de wapenmarkt in Europa van
30-50% en er is nu een krapte op de arbeidsmarkt voor technisch
geschoolden. Voormalig VVD leider Bolkenstein liet zien dat hij dit
goed begrepen had toen hij stelde dat de defensie-industrie niet langer
door subsidies in stand zou moeten worden gehouden.
Tenslotte wil ik nog opmerken dat ik me nog goed de verzuchting kan
herinneren van een Indonesisch mensenrechten activist tijdens een toer
door Europa: "Bij jullie gaat het om banen, bij ons om levens." Vorige
bezocht ik met een aantal Koreaanse mensenrechten activisten
parlementariërs. Zij stelden dat voor sociale voorzieningen nauwelijks
geld beschikbaar is en dit fonds volgend jaar zwaar wordt gekort
terwijl uitgaven voor defensie met 6% zullen stijgen. Internationale
solidariteit is niet gebaat met steun aan het buitenbeentje van de
economie, de wapenindustrie.