Codes of Conduct en economische kant van wapenhandel

Martin Broek

Wapens zijn een bijzonder product ze hebben invloed op de veiligheid en mensenrechten in landen en regio's. Bovendien worden ze vrijwel uitsluitend verkocht aan staten. Het is daarom niet zo vreemd dat er al tientallen jaren gedragscodes zijn voor wapenexporten. Die gedragscodes zijn tot stand gekomen in twee periodes:

In 1975 werden in Nederland de eerste criteria voor wapenexporten op papier gezet in de nota Ontwapening en Veiligheid. Een aantal andere nota's en rapporten zouden volgen (Rapport inzake het militair industrieel complex, 1977 en de nota Rechten van de mens in het Buitenlandsbeleid, 1979). De sluipwegen die de wapenindustrie bewandelde om wapens aan Irak en Iran te leveren leidde er in 1988 toe dat er een eindbestemmingverklaring werd ingevoerd. De huidige richtlijnen - die zoals het woord al aangeeft niet bindend zijn - werden in 1991 op papier gezet en daarin is sprake van een drietal criteria op grond waarvan moet worden beoordeeld of een levering door de beugel kan: In 1992 werd daar nog een vierde criterium aan toegevoegd: Dit laatste criterium wordt alleen gebruik in het geval Nederland een ontwikkelingsrelatie heeft met het ontvangende land. Een beperking die de nodige twijfels oproept, zeker in het huidige debat over beperking van het aantal ontvangende landen op grond van een goed bestuur.

Vanaf het begin waren de nota's inzet van veel politiek discussie. In 1975 stond Nederland op het punt drie grote oorlogsschepen aan de marine van Indonesië te leveren. Voor het RSV concern een belangrijke order. De eerste contacten hiervoor stammen uit het begin van de jaren zeventig toen Indonesië drie miljoen politieke gevangenen had. Bovendien werd in 1975 werd Oost-Timor geannexeerd. De levering ging echter door.

Het is duidelijk waar de schoen wringt. De richtlijnen zijn niet alleen niet bindend ze zijn ook voor meerdere uitleg vatbaar. Hiervan zijn legio voorbeelden te geven, maar laat ik me beperken tot twee: Dit gebeurd natuurlijk niet alleen in Nederland, ook andere landen, als ze al criteria hadden, interpreteerden er lustig op los. De wapenleveranties aan Rwanda door Frankrijk en leveranties aan Indonesië door Zweden, Engeland, Duitsland, Nederland en Frankrijk en die aan NAVO bondgenoot Turkije zouden niet kunnen bij een strikte interpretatie van de richtlijnen. Het wreekt zich dan ook dat de richtlijnen niet bindend zijn en buitenlands politieke en economische overwegingen minstens zo'n belangrijke rol spelen, maar het wreekt zich nog meer dat de richtlijnen multi-interpretabel zijn.

Dit werd opgepikt door een bundelingen van NGO's die zich gingen inzetten voor een Gedragscode op het gebied van wapenexporten op Europese Unie niveau. In mei 1998 leidde dit er toe dat er een uitgebreide gedragscode werd aangenomen bestaande uit acht punten, die min of meer overeenkomen met de Nederlandse richtlijnen. (Sheet) In Nederland zetten ambtenaren een aantal richtlijnen voor het gebruik van de richtlijnen op papier die een handleiding vormen voor het gebruik van de richtlijnen. Meer papier, meer nota's en brieven, maar de kwestie van het naar de al eerder genoemde belangen toe interpreteren blijkt niet uit de weg te helpen als er geen bereidheid is de richtlijnen in letter EN geest te volgen.

Op Buitenlandspolitiek gebied zijn er sinds 1989 meer openingen. Met name de discussie rond wapenleveranties naar sub-Saharan Afrika is in een stroomversnelling terechtgekomen. Niet langer een speelbal van Oost en West zijn de wapenleveranties aan deze landen om geopolitiek redenen minder van belang. Militaire spanningen en mensenrechten, inclusief de schrijnende armoede waarin grote delen van de bevolking leeft, kunnen nu een grotere rol spelen bij afwegingen of er al dan niet geleverd moet worden. De Nederlandse overheid speelt een voortrekkers rol in deze discussie, met als trefwoorden genocide, kindsoldaten en kleine wapens. Vreemd is wel dat landen als Colombia, Bangladesh en Algerije met een vergelijkbare toestand niet mee mogen delen van dit ethisch bewustzijn en nog steeds of juist sinds kort Nederlandse wapens ontvangen.

De economische kant van de wapenhandel

Hoewel het bij kritiek op wapenhandel volgens ons vooral gaat om politieke, morele en ethische overwegingen wil ik toch ook ingaan op de economische kant van de wapenhandel. Wapenhandel levert banen op en dat is voor U als belangenbehartiger voor werknemers en bedrijfsleven een belangrijk onderwerp.

Om te beginnen wil ik een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse wapenexporten noemen, de doorvoer of transito van wapens via lucht- en zeehaven, spoor en weg verbindingen. Het gaat hier om een heel belangrijk deel van de Nederlandse bijdrage aan de wereldwijde wapenstromen. Een deel van de wapenhandel waar verder weinig over bekend is. Dat dit deel niet te verwaarlozen is wordt alleen al duidelijk uit de zeer onvolledige en schaarse informatie die momenteel voorhanden is. Momenteel wordt gewerkt aan een wetsontwerp waardoor controle mogelijkheden groter worden, maar een echt goede controle zal stuiten op het 'tijd is geld' argument. Goede controle kost tijd en verlaagt de afhandelingsnelheid. De controle zal daarom helaas gebaseerd blijven op tips, verdenkingen en steekproeven. Om niet geheel afhankelijk te zijn van inlichtingendiensten, die het merendeel van de tips geven, zou het goed zijn als er zekere mate van waakzaamheid op dit gebied zou zijn vanuit de maatschappij. Door dit soort waakzaamheid werd begin dit jaar een leverantie in de Antwerpse haven voor Eritreese leger tegen gehouden. Ik zou U willen vragen of U daar ook in Nederland mogelijkheden toe ziet.

Nu naar de defensie-industrie zelf. Deze industrie produceert per jaar voor ongeveer 3 miljard aan wapens. Dat is een niet zo�n heel groot bedrag. Ongeveer 0,2% van de totale Nederlandse export. Volgens het statisch bureau van de VN exporteerde Nederland in 1998 in waarde meer aan eieren dan wapens. (Sheets) Ook voor de betrokken 150 bedrijven (met een gezamenlijk omzet van 46,0 miljard gulden) gaat de militaire productie maar om 6,5% van de totale omzet. Van de medewerkers van deze bedrijven is 8,4%, zo'n 12.000 personen werkzaam op militair gebied, waarvan 2000 (1/6) bij Hollandse Signaal Apparaten dat 25% van die productie voor haar rekening neemt. De wapenindustrie is kortom niet van groot belang voor de Nederlandse economie. Nog minder van belang zijn de wapenexporten. 1/3 van de productie is voor export dat betekent dat minder dan 4000 personen binnen die exportsector werken (de zgn. labour learning curves). Dit is niet alleen van belang voor die mensen binnen de vredesbeweging die telkenmale stellen dat de wapenfabrikanten kolossale winsten maken bij wapenexporten, het is ook belangrijk voor hen die stellen dat het in stand houden van de defensie-industrie belangrijk is voor de economie en de banenmarkt.

Het bovenstaande geeft ook het relatieve belang aan van al de aandacht voor conversie. Dikke pillen zijn geschreven over dit onderwerp, waarschijnlijk alleen vanuit de visie dat kritiek gepaard moet gaan met positieve voorstellen. Polemologen kropen in de huid van ondernemers en bedachten de prachtigste plannen. De kennis voor de conversie zit echter in de ondernemingen en niet in de vredesbeweging of de polemologische instituten. Bovendien moeten we harde werkelijkheid onder ogen zien dat bedrijven als HSA die voor 99% afhankelijk zijn van militaire opdrachten een heel marketing apparaat, onderzoeks- en productieproces hebben dat volledig is toegesneden op de militaire markt en conversie zoveel betekent als een nieuw bedrijf opzetten. Falen van conversie plannen bij dit soort bedrijven is dus bijna gegarandeerd.

Persoonlijk kan ik hier niet zo heel erg mee zitten. Dat heeft niets te maken met harteloosheid. Dat heeft er mee te maken dat wapenhandel vaak een negatief effect heeft op mensenrechten en veiligheidssituaties, het heeft er mee te maken dat ik betere bestemmingen kan bedenken voor geld dan wapens en tenslotte vraag ik me af waarom de overheid geld zou moeten steken in het overeind houden van de wapenindustrie.

In 1998 werd voor deze bedrijfstak minimaal 340 miljoen gulden subsidie opzij gezet. Dat betekent ruim 29.000 gulden per baan, waarvan 50 miljoen naar de scheepswerf de Schelde ging. (In deze subsidies zitten dan niet de in de bijdragen in de vorm van exportkredieten, rondreizende staatssecretarissen, gegarandeerde afname, binnenlandse vaak duurdere aanbestedingen wegens de schaal van de Nederlandse defensie-industrie, goedkope overdracht twee hands wapens, snelle vervanging van wapens, inzetten van defensiefaciliteiten voor export promotie etc.) Ik ben geen bedrijfseconoom maar 350 miljoen gulden subsidie op een totale omzet van 3 miljard lijkt mij rijkelijk veel. De Verenigde Staten stak in 1995 overigens 15 miljard gulden subsidie in zijn defensie-industrie. Overigens zegt de defensie-industrie zelf dat ze niet kan overleven zonder deze subsidies, wegens de t.o.v. de jaren tachtig geringere omzet en de zwaar gestegen kosten van onderzoek en ontwikkeling.

Al het geld dat nu in de defensie-industrie wordt gestoken kan ook voor andere doeleinden worden gebruikt. Het lijkt me voor een vakbond dan ook geen slechte zaak als ze een duidelijke keuze maakt dat de defensie-industrie niet te steunen. Het kan de Nederlandse economie en werkgelegenheid alleen maar ten goede komen nu een schip met zware averij te verlaten en te pleiten voor het steken van geld in bijvoorbeeld innovatieve bedrijfstakken en banenplannen. Het is er nu de tijd voor: er is overcapaciteit in op de wapenmarkt in Europa van 30-50% en er is nu een krapte op de arbeidsmarkt voor technisch geschoolden. Voormalig VVD leider Bolkenstein liet zien dat hij dit goed begrepen had toen hij stelde dat de defensie-industrie niet langer door subsidies in stand zou moeten worden gehouden.

Tenslotte wil ik nog opmerken dat ik me nog goed de verzuchting kan herinneren van een Indonesisch mensenrechten activist tijdens een toer door Europa: "Bij jullie gaat het om banen, bij ons om levens." Vorige bezocht ik met een aantal Koreaanse mensenrechten activisten parlementariërs. Zij stelden dat voor sociale voorzieningen nauwelijks geld beschikbaar is en dit fonds volgend jaar zwaar wordt gekort terwijl uitgaven voor defensie met 6% zullen stijgen. Internationale solidariteit is niet gebaat met steun aan het buitenbeentje van de economie, de wapenindustrie.