De Groene Amsterdammer 16-02-07
Als het belangrijk wordt, slaapt de overheid
Wapenhandel via Rotterdam
Door Joeri Boom
Bijna vierenhalf jaar lang lag militair
materieel voor
Eritrea opgeslagen in de haven van Antwerpen. Een conflict tussen twee
Belgische overheidsdiensten en nalatigheid van Nederlandse controleurs
leidden
ertoe dat de lading in 2003 alsnog Eritrea bereikte. ˜Ze wilden eerst
en vooral
van het hele zooitje af.”
Op maandag 17 oktober 2006 slaan Unmee-militairen alarm. Ze
controleren een gedemilitariseerde zone tussen Ethiopië en Eritrea die
is
ingesteld nadat de landen elkaar in mei 1998 in de haren waren gevlogen
over betwist
grensgebied. In de loopgravenoorlog die volgde vielen aan Eritrese
zijde
minstens negentienduizend doden. Schattingen over het aantal
gesneuvelde
Ethiopiërs lopen uiteen van zestigduizend tot meer dan
honderdvijftigduizend.
Die maandag trekken vijftienhonderd Eritrese militairen en
vijftien tanks het gebied in. Het Nederlandse mariniersbataljon, dat
deel
uitmaakte van Unmee, is vijf jaar eerder huiswaarts gekeerd. Toch hangt
de
schaduw van Nederland over de militaire intocht. De Eritrese tanks zijn
waarschijnlijk uitgerust met onder meer motoronderdelen, rupsbanden,
periscopen, richtmechanismen en nachtzichtapparatuur die via Nederlands
grondgebied naar de oorlog zijn vervoerd.
De tankonderdelen waren verpakt in 91 containers. Samen met
veertig Unimog-
vrachtwagens, die veelal gebruikt worden voor militaire
doeleinden, werden ze in de zomer van 1998, enkele maanden na het begin
van de
Ethiopisch-Eritrese oorlog, vervoerd vanuit Duitsland over Nederlands
grondgebied naar België. Daar werden de militaire goederen onderschept
door de
Belgische douane. Vierenhalf jaar lang stonden de containers en
vrachtwagens
opgeslagen op een Antwerpse kade. Totdat ze in januari 2003 op een
schip werden
geladen en alsnog via Rotterdam werden verscheept naar Eritrea. Dit kon
gebeuren na een opmerkelijke reeks acties van de Belgische douane en
het
uitblijven van enig ingrijpen door Nederlandse controlediensten, hoewel
zij van
de komst van de lading door Belgische collega’s op de hoogte waren
gesteld.
In antwoord op Kamervragen over de kwestie die vorige week
door de SP werden gesteld, steekt de Nederlandse regering de hand in
eigen
boezem. ˜Aangenomen mag worden dat de lading uiteindelijk de haven van
Massawa
of een ander aanlandingspunt in Eritrea heeft bereikt en daar is
gelost.” De
regering is ongelukkig met deze uitkomst. De fiod-ECD en de douane
hebben te
laat gereageerd op het verzoek van de Belgische autoriteiten toezicht
te houden
op de goederen na aankomst in de Rotterdamse haven.
De SP stelde vragen op grond van informatie die werd
geleverd door onderzoekers van Campagne tegen Wapenhandel. Deze
organisatie
begon een jaar geleden een onderzoek naar de Eritrese containerkwestie
in
samenwerking met De Groene Amsterdammer.
De Groene Amsterdammer heeft inmiddels achterhaald dat de
tankonderdelen en vrachtwagens inderdaad zijn afgeleverd in Eritrea. Op
26
januari 2003 verlieten de militaire goederen de haven van Rotterdam aan
boord
van containerschip Skagen. Het schip werd gecharterd door een Deense
reder en
voerde de vlag van Antigua & Barbuda. Op 2 februari deed het
Gibraltar aan,
waar het dezelfde dag nog vertrok. Op 10 februari arriveerde het schip
bij de
Rode Zee-monding van het Suezkanaal. Vier dagen later meerde het af in
de haven
van de Eritrese stad Massawa, waar het ongeveer vijf dagen bleef liggen
en zijn
lading loste. Inmiddels is het schip omgedoopt tot de Ann-Sofie Scan,
eigendom
van een rederij in het kleine Duitse stadje Hollenstedt.
In 2003 was geen wapenembargo meer van kracht jegens
Ethiopië en Eritrea. Dat werd opgeheven op 31 mei 2001. Maar op
initiatief van
Nederland besloot de Europese Unie ook na het aflopen van het embargo
uiterste
terughoudendheid in acht te nemen bij wapenleveranties aan de
explosieve Hoorn
van Afrika. Nederland stond sindsdien geen leveringen van militair
materieel
aan de regio meer toe, meldt het ministerie van Buitenlandse Zaken in
zijn antwoord
aan de Kamer. Het ministerie beantwoordt de vragen mede namens de
departementen
van Financiën en Economische Zaken. Het ministerie van Financiën is
verantwoordelijk voor controles op wapendoorvoer door de fiod-ECD en de
douane.
Economische Zaken verstrekt export- en doorvoervergunningen.
˜We steken de hand in eigen boezem. De gang van zaken
verdient niet de schoonheidsprijs”, zegt een woordvoerder van het
ministerie
van Financiën.
Duidelijk is dat voor het vervoer van Rotterdam naar Eritrea
van de tankonderdelen en Unimogs geen vergunning gegeven zou zijn. Maar
duidelijk is ook dat Nederland vindt dat België uiteindelijk
verantwoordelijk
is, want zij gaven de Britse eigenaar van de goederen toestemming de
lading te
verschepen. Het was de bedoeling dat die binnen de Benelux zou blijven.
Daarvoor is geen vergunning nodig. Maar aangezien het materieel naar
Eritrea
werd vervoerd, is de Belgische wet geschonden. De Belgen zien dat
anders.
˜Omdat in Rotterdam de controle van de zending door de
Nederlandse autoriteiten niet gecoördineerd was, werden de
goederen alsnog vanuit Nederland illegaal uitgevoerd naar,
vermoedelijk,
Eritrea. De feiten vormden in de ogen van de administratie een nieuwe
overtreding die strafbaar is in Nederland”, stelt de Belgische
Administrateur
der Douane en Accijnzen in een persbericht.
Het zwartepieten is begonnen. ˜Een diplomatieke rel is niet
aan de orde”, stelt een woordvoerder van Buitenlandse Zaken
nadrukkelijk.
De geschiedenis van de containerkwestie is er een van
onverkwikkelijkheden en blunders, zowel aan Belgische als aan
Nederlandse
zijde. Ook Duitsland, Engeland en Denemarken zijn bij de zaak
betrokken.
Wapenhandelaren weten steeds weer de mazen in het net van
meldingsplichten en
vergunningen te vinden.
Het begint zo goed. De lading wordt in augustus 1998
tegengehouden door de Antwerpse douane. Op de vrachtbrieven staat dat
het om
bouwmateriaal en waterpompen gaat, maar douaniers treffen in de
containers
onderdelen aan voor tachtig motoren van het type dat gebruikt wordt in
T54- en
T55-tanks. Een deel van de lading bestaat uit militaire randapparatuur,
zoals
richtmechanismen, helmen met radiografische koptelefoons en
infraroodkijkers.
Zowel Ethiopië als Eritrea beschikt over T54- en T55-tanks en de landen
zijn in
oorlog. Het is daarom uitgesloten dat er een exportvergunning zal
worden afgegeven, dus mag het spul
niet verder vervoerd worden. De Vlaamse krant De Morgen noemt de vangst
een
˜opsteker voor Buitenlandse Zaken en de douane”.
De eigenaar van de lading is het Britse bedrijf JMT
Charlesworth Ltd, handelend onder de naam Global Services. Directeur
van dat
bedrijf is John Charlesworth. Hij kocht de tankonderdelen en de
vrachtwagens in
Duitsland. Ze hadden toebehoord aan het leger van de DDR. John
Charlesworth verdedigt
zich in de media en ontkent de militaire aard van de lading. Volgens
hem zullen
de motoren gebruikt worden in Russische bulldozers. De containers en
Unimog-vrachtwagens zijn bestemd voor het Eritrese bouwbedrijf Ghedem,
dat
onder meer wegen aanlegt, zegt hij in The Independent. Hij vecht de
inbeslagname van zijn lading aan en begint in februari 1999 een kort
geding.
Volgens onderzoek van de Belgische douane is de lading via
Nederland vervoerd. Nederland stelt een onderzoek in, net als
Duitsland. In april
1999, en een jaar later opnieuw, worden kamervragen gesteld aan de
Nederlandse
staatssecretaris van Economische Zaken, Gerrit Ybema. Ybema meldt dat
de
containers via Nederland zijn vervoerd en de vrachtwagens via
Duitsland. Hij
stelt vast dat er geen inbreuk is gepleegd op Nederlandse wet- en
regelgeving.
Voor zijn boek Explosieve materie onderzocht
Martin Broek
van Campagne tegen Wapenhandel de kwestie. ˜Het is eerder beschamend
dan
voorbeeldig dat de vracht Nederland kon verlaten”, stelt hij. Niet
alleen omdat
het geen ˜vrije goederen” betrof maar wapenmaterieel voor een regio in
oorlog,
maar ook omdat de 91 containers in de periode juli-augustus 1998 enkele
weken
opgeslagen blijken te zijn geweest op het terrein van Commerce
Nieuwediep in
Winschoten. Dit bedrijf is verdacht. In februari 2001 werd het
veroordeeld tot
een boete van vijftigduizend gulden voor het doorvoeren van Canadese
pantserwagens die uiteindelijk terechtkwamen in Iran. Daartoe werd een
ingewikkeld netwerk van internationale transacties opgezet dat liep via
Nederland, Duitsland, België, Groot-Brittannië, Singapore en Dubai.
Ook de transactie van Charlesworth met Eritrea loopt langs
verscheidene internationale schijven, om opsporing te bemoeilijken. Zo
diende de tijdelijke opslag bij Commerce Nieuwediep waarschijnlijk om
de Duitse
wet te omzeilen. Die stelt dat een vergunning nodig is voor het
verhandelen van
militair materieel op Duits grondgebied. Het verhandelen van uit
Duitsland
afkomstig militair materieel buiten de grenzen staat vrij.
Waarschijnlijk heeft
de officiële koop van de tankonderdelen en vrachtwagens door John
Charlesworth
plaatsgevonden in Winschoten. Commerce Nieuwediep is nog altijd expert.
˜Worldwide exporters of trucks, spare parts and equipment. With over 45
years of experience”, meldt de
website van het bedrijf. Er staan foto’s op van militaire voertuigen,
van
humvees tot legergroene bulldozers.
In Groot-Brittannië zijn de wetten ter voorkoming van
ongeoorloofde wapenhandel- en doorvoer al evenmin erg efficiënt. In
maart 2000
stelt de parlementaire Select Committee on Foreign Affairs: ˜Het bewijs
groeit
dat aanzienlijke hoeveelheden wapens die de zwaarst getroffen
conflictregio’s
bereiken, daar naartoe worden gebracht door Britse wapenhandelaars. (…)
Sommige
van deze transacties worden gesloten door individuen of bedrijven die
in het
Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, andere worden gesloten door
VK-inwoners of
VK-paspoorthouders ver van huis. Cruciaal is dat geen exportvergunning
van de
Britse regering nodig is, omdat de wapens zich niet bevinden op Brits
grondgebied. Naar schatting opereren alleen al vanuit Zuidoost-Engeland
150 tot
300 wapenhandelaren.”
Een slimme koopman kent de mazen in de wet. Die zijn in
Groot-Brittannië zo groot dat een wapenhandelaar als Charlesworth zelfs
subsidie kan krijgen. In The Independent zei Charlesworth dat hij geld
had
ontvangen van de Britse overheid om de markt te verkennen. Uit
antwoorden op
vragen van Lagerhuis-lid Mackinlay blijkt inderdaad dat Charlesworth’s
bedrijf
duizend pond ontving van het ministerie van Handel na afronding van
˜een studie
voor de markt voor gebruikte, opgeknapte trucks ter verkoop aan Eritrea
en
Ethiopië”.
Hoewel Charlesworth ontkent dat hij wist dat in zijn
containers behalve motoronderdelen ook onmiskenbaar als wapens aan te
merken
randapparatuur werd vervoerd, verliest hij het kort geding tegen de
Belgische
staat in september 1999 en gaat in hoger beroep. Nu gaat de staat in de
aanval.
Op 25 oktober 1999 wordt proces-verbaal opgemaakt ˜wegens poging tot
uitvoer
van militair materieel naar Eritrea zonder overlegging van de vereiste
uitvoervergunningen” jegens ˜JMT Charlesworth Ltd Global Services,
e.a.” Welke
andere bedrijven of personen aan strafvervolging werden onderworpen, is
onbekend.
Het procederen wordt een slepende kwestie en de kosten van
de opslag lopen intussen hoog op. Uit een verklaring van een beambte
van de Opsporingsinspectie
Antwerpen, die in het bezit is van De Groene Amsterdammer en Campagne
tegen
Wapenhandel, blijkt dat de Belgische overheid daarmee flink in haar
maag zit.
˜Op 10 september 1999 werd een inventaris opgesteld. Van dat ogenblik
af zou de
Administratie der douane en accijnzen instaan voor de opslagkosten op
de kaai.
Het probleem stelt zich echter dat de Administratie der douane en
accijnzen
over onvoldoende ruimte beschikt om deze goederen zelf op te slaan,
terwijl de
opslagkosten op de kaai heel duur zijn.”
Die kosten moesten worden betaald aan Noord Natie, een grote
uitbater van Antwerpse haventerminals. Het bedrijf is inmiddels
grotendeels opgegaan in de Singaporese goederenbehandelaar PSA. Een
Belgische
ambtenaar, die anoniem wenst te blijven omdat hij repercussies vreest,
meldt
dat zich in de loop der jaren een ˜welles-nietes-spelletje” voordeed
tussen het
Belgische ministerie van Economische Zaken en het ministerie van
Financiën
over ˜wie moest opdraaien voor de opslagkosten op de kaaien van Noord
Natie”.
Financiën (de douane) meende dat de overtreder diende de betalen.
Economische
Zaken (de dienst Invorderingen en Geschillen) eiste dat de douane
kredieten
vrijmaakte om de kosten te dekken. ˜Een praktijk die wettelijk niet is
toegelaten, waardoor de Belgische overheid naderhand wordt
geconfronteerd met
oninvorderbare tekorten”, aldus de ambtenaar.
Volgens deze anonieme Belgische ambtenaar is er vanaf 2001
een stevig conflict geweest tussen Financiën en Economische Zaken.
˜Maar u zult
er weinig meer van vinden. Het dossier is onder tafel geschoven.” In
december
2002 zijn het conflict en de opslagkosten zo hoog opgelopen dat de
Belgen
grijpen naar een middel dat verkeerd zal uitpakken. Er wordt besloten
Charlesworth een ˜minnelijke schikking” aan te bieden. Onder
voorwaarden wordt
hem toegestaan de militaire goederen vanuit Antwerpen te vervoeren naar
een
land in de Benelux. Daarvoor is geen exportvergunning nodig, mits de
goederen
niet worden doorgevoerd. De Belgische overheid wil van het probleem af
en moet
daartoe de in beslag genomen goederen zien kwijt te raken.
Op 6 december 2002 vindt een bijeenkomst plaats onder
leiding van de gewestelijk directeur der douane en accijnzen. Aanwezig
zijn
enkele hoge ambtenaren van Financiën en Economische zaken en de
Belgische
advocaat van JMT Charlesworth Ltd. Hun namen zijn De Groene
Amsterdammer
bekend. De redactie is eveneens in het bezit van een verslag van deze
bijeenkomst, waarin wordt gesteld: ˜Dit onderhoud werd afgesloten met
het
akkoord om JMT Charlesworth Ltd Global Services een transactie aan te
bieden
waarin de volgende bepalingen zullen worden opgenomen.” Dan volgen de
voorwaarden.
Kort gesteld houdt de ˜transactie” in dat de goederen
˜geleverd worden op een bestemming binnen de Benelux” en dat
Charlesworth een
boete betaalt van 25 duizend euro, alsmede alle opslagkosten aan Noord
Natie.
De goederen worden pas vrijgegeven als het geld betaald is. Bovendien
wordt
vastgesteld dat het vervoer ˜over land” dient te gebeuren. De advocaat
van
Charlesworth deelt mee dat zijn cliënt besloten heeft de goederen naar
Nederland te verzenden. Vastgelegd wordt dat vanaf het moment van
vrijgave van
het materieel ˜tot het overschrijden van de Belgisch-Nederlandse grens
het
transport van deze goederen onder douanetoezicht gebeurt”. Er zal
contact
worden opgenomen met de Nederlandse douane om ervoor te zorgen dat ook
zij het wapenmaterieel
begeleidt. ˜De Opsporingsinspectie Antwerpen dient daarvoor reeds
onmiddellijk
de nodige stappen te ondernemen via haar contacten in Nederland.”
De tekst van de definitieve overeenkomst, die op 20 december
door alle partijen wordt aanvaard, is onbekend. Nederland zegt er niet
over te
beschikken, de Belgen geven hem niet vrij en Charlesworth’s advocaat
kan hem
zich niet herinneren. Feit is dat het vervoer van de 91 containers en
veertig
militaire vrachtwagens niet over land is gegaan maar per schip. En dat
brengt
risico’s met zich mee. Een spoorlijn biedt minder mogelijkheden te
ontsnappen
aan controle dan de wijde zee. Opmerkelijk is een passage in het
persbericht
van de Belgische douane van vorige week. ˜Er werd ondermeer
overeengekomen dat de
goederen terug naar Nederland (bestemming Rotterdam) zouden gaan en
dat, ter
vereenvoudiging van de monitoring van de zending, het vervoer over zee
diende
te gebeuren met vervoermiddel”, wordt daarin gemeld. ˜Gelet op de aard
van de
goederen lichtte de Belgische Douane hiervan tijdig de Nederlandse
autoriteiten
in. De overtreding in België« was hiermee afgehandeld.”
De anonieme Belgische ambtenaar ziet andere motieven voor
het vervoer per schip. ˜Ze wilden eerst en vooral van het hele zooitje
af zijn.
Spoorcapaciteit was beperkt en Noord Natie had haast. Vervoer per schip
is
sneller en bovendien goedkoper. Charlesworth betaalde de kosten voor
opslag en
de boete glimlachend.”
Op vrijdag 24 januari 2003 vertrekt
containerschip Skagen
uit Antwerpen. De Unimog-vrachtwagens ˜stonden aan dek”, meldt een
Nederlandse
bron die het schip op zaterdag 25 januari de haven van Rotterdam ziet
binnenlopen, bij de kade van EP Shipping. ˜Eerst was er niet goed
bekend of er
containers gelost moesten worden of niet. Uiteindelijk is er niet
gelost”,
aldus de tipgever, die eveneens anoniem wil blijven, ˜voor het risico
van mijn
baan”. Op zondag 26 januari 2003 vertrekt de Skagen en zet koers naar
Eritrea,
zonder dat er een haan naar kraait. Douane en fiod-ecd leggen het schip
geen
strobreed in de weg. Pas na het weekeinde verschijnen de
controlediensten op de
kades van EP Shipping. En pas op 31 januari, een week nadat het schip
met
militair materieel voor Eritrea de haven van Antwerpen heeft verlaten,
stelt de fiod-ecd het ministerie
van Economische Zaken op de hoogte van het verdwijnen van de Skagen.
Terwijl in
Nederland verschillende ministeries crisisoverleg voeren, rondt de
Skagen de
Spaanse Kaap Finisterre en is daarmee al halverwege eindbestemming
Eritrea.
Er breekt gesteggel uit met de Belgen over wie de kapitein
terug moet roepen. Volgens Nederland heeft België daartoe de beste
kaarten. De
overeenkomst is immers gebroken, aangezien de goederen niet in de
Benelux zijn
afgeleverd. De Belgen denken daar anders over. Volgens Nederland heeft
de
kapitein eigenmachtig en dus illegaal de bestemming op de vrachtbrieven
veranderd. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan sluikuitvoer,
een
strafbaar feit gepleegd in Nederland. De Nederlandse en Duitse
regeringen
proberen nog de Egyptische autoriteiten te bewegen het schip tegen te
houden
bij het Suezkanaal. Maar volgens de Egyptische autoriteiten zijn de
vrachtbrieven in orde. Ook de Eritrese regering is niet te vermurwen.
Zij
peinst er niet over het materieel terug te sturen.
Waren de Nederlandse autoriteiten op de hoogte? Jazeker,
zeggen de Belgen. In een artikel in het Belgische tijdschrift Mo
citeerde
nderzoeksjournalist Kristof Clerix vorige week een bron bij de
Belgische douane
˜die het dossier zeer goed kent”. Volgens hem hoeft de Belgische douane
zich
niets te verwijten: ˜Voor het schip in Rotterdam toekwam, hadden we de
Nederlandse autoriteiten reeds een week vooraf en tot driemaal toe
verwittigd
over zijn komst. Wij hebben in deze zaak correct gehandeld. Het is
pijnlijk
voor de Nederlandse douane.” Volgens het ministerie van Economische
Zaken zijn
echter pas op vrijdag 24 januari twee faxen ontvangen van de Belgen.
Eén op het
fiod-ecd-kantoor in Vlaardingen, een andere op het
fiod-informatiecentrum in
Rotterdam.
Op de vraag hoe het kan dat pas na het weekeinde actie is
ondernomen, wil het ministerie van Financiën, waaronder de fiod-ecd
resorteert,
eerst niets kwijt. Na aandringen meldt het ministerie dat sprake was
van een
communicatiestoornis, waardoor we ˜te laat aanwezig waren”. “We hebben
de
interne procedures aangescherpt om dit in de toekomst te voorkomen.”
Volgens Martin Broek van Campagne tegen Wapenhandel was dit
nu eens een doorvoerzaak waarin groot succes had kunnen en moeten
worden
geboekt. ˜Jarenlang wist men dat deze goederen er waren. Nederland
werd zelfs
gewaarschuwd toen het schip uit Antwerpen vertrok. Als je zo’n
zending dan nog niet kunt stoppen, ben je geen knip voor de neus waard.
Het
ministerie van Buitenlandse Zaken zegt dat de meldingsplicht voor
doorvoertransacties van militair materieel in 2004 is uitgebreid, maar
volgens
Martin Broek zet dat geen zoden aan de dijk als de fiod-ecd er geen
personeel
bij krijgt. ˜Al in 1987 hoorde ik van mijn contacten binnen de ECD dat
ze hun
werk niet goed konden doen, omdat ze onderbezet waren. In 2005 werd dat
bovendien vastgesteld in een rapport van de Algemene Rekenkamer.”
Ook de standaardisering van vrachtbrieven zou volgens
Campagne tegen Wapenhandel helpen tegen illegale wapentransporten. Nu
hanteert
elk land zijn eigen model en kan een kapitein vrijwel ongestraft met de
bestemmingen knoeien. Broek: ˜Je regelt een paar lege vrachtbrieven en
zet er
wat mooie gekleurde stempels op. Voor Egyptische douaniers ziet het er
dan
prima uit.” Aan de bewering van de Nederlandse regering dat ze ˜al het
mogelijke heeft gedaan” om te voorkomen dat de lading in Eritrea
terechtkwam,
hecht Broek weinig waarde.
Zo had men kunnen overwegen de marine in te zetten. Als
maritieme natie beschikt Nederland over een ˜schip van de wacht”: een
marine-eenheid die op zee is of paraat staat om uit te varen. Binnen
enkele
uren kan een marineschip de achtervolging inzetten. ˜Het is een uiterst
middel,
en je moet rekening houden met de proportionaliteit” laat een
marinewoordvoerder weten. ˜Je hebt het over een oorlogsbodem. Maar als
aan de
juridische voorwaarden is voldaan, kan het schip van de wacht technisch
gezien
worden ingezet om een illegale lading te onderscheppen. Dat is in het
verleden
wel gebeurd.”